27 september 2004...2:38 pm

Dominee tegen de oppervlakkigheid

Spring naar reacties

uitgesproken bij de presentatie van Klaas Schilder, Verzamelde Werken 1917-1919, Barneveld (De Vuurbaak) 2004 (zie ook de verkorte versie in het Nederlands Dagblad)

Onwillekeurig dringt dezer dagen de vraag zich aan je op wat Schilder geschreven zou hebben bij het overlijden van André Hazes. Wat, is nauwelijks meer te raden, maar hij zou er over geschreven hebben, dat is zeker. Als Schilder ergens een hekel aan had was het aan een zwijgende kerk. Hij haalt het in augustus 1918 speciaal naar voren als hij schrijft over de dood van de laatste tsaar aller Russen: “O die zwijgende kerk! O, die wereld-bespotting! Ze heeft gelogen, toen ze sprak; ze heeft gehuicheld, toen ze zweeg. En haar zwijgen is het zwijgen der ééne, heilige, algemeene, christelijke kerk. Heel de wereld krijscht en krijt; de kerk zwijgt; zelfs het snikken heeft ze verleerd.”
Natuurlijk, voor Schilder zou de levensstijl van Hazes en van de samenleving waar hij voor staat, nog onvoorstelbaar veel ernstiger zijn dan het ‘treurig complex van misselijkheden’, dat hij constateerde bij de Vlaardinger jeugd uit zijn tijd: “Bioscoop; waarzeggerij; vloeken; smerigheid: coquetterie; onbetamelijkheid in den omgang, zelfs in een publiek vervoermiddel onder de oogen van wild vreemden.”
Maar misschien – want in zijn In Memoriams kon Schilder verrassend zacht zijn – zou hij ook wel aanleiding hebben gevonden om te schrijven over de merkwaardige gave van Hazes om aan de hand van zijn eigen leven te verwoorden wat gewone mensen bezig houdt. En de vraag stellen waarom we in de kerk nog altijd niet geleerd hebben te spreken “in de niet-gewijde, wij zouden zeggen profane, alledaagsche spreektaal voor huis, tuin en keuken, opdat de menschen begrijpen zouden, dat de religie niet een aparte zaak moet zijn op een aparten dag voor aparte menschen met een apart idioom”. Hij schaamde zich later in ieder geval niet om de socialistische volkscatechismus van Van Helsdingen aan zijn gereformeerden ten voorbeeld te stellen (Kerktaal en Leven, 79v).

Wie deze combinatie van Klaas Schilder en André Hazes maar vreemd vindt, kan zich intussen gelijk verplaatsen in de groep van Schilders gemeenteleden in Vlaardingen, die zijn kerkbode-stukjes maar vreemd vonden. Dat waren ze ook, vooral om de eindeloze hoeveelheid vreemde combinaties van dingen, gebeurtenissen, ideeën, poëzie met overtuigingen en gedrag van de gemeente. Het is tot daaraan toe dat de dominee schrijft over die mensen met hun bekeringsgeschiedenissen, hun benauwdheden, met hun respect voor “enkele bijzonder geleide naturen, van wie elk woord als een orakel, elk gebed als een voorspraak, die wel ‘helpen zal,’ wordt aangenomen”. Maar dat hij op weg tussen Vlaardingen en Rotterdam uitstapt in Schiedam, daar de Roomse Frankelandse kerk inloopt en er de verering van de plaatselijke heilige Lidwina van Schiedam aanziet en vervolgens schrijft dat die ultra-gereformeerde heiligenverering eigenlijk op hetzelfde neerkomt, dat was even lastig.
Dat dominee schrijft over het spiritisme, dat is in die tijd niet zo bijzonder. Wel dat hij in de kerkbode eigen bijdragen levert voor een spiritisten-kalender of uitvoerig schrijft over de optredens van een telepathisch medium, Eugen Rubini, met als moraal: “Er is meer in de natuur dan wij weten. Hoe beter we het zullen leeren kennen, hoe duidelijker het zal worden, dat we de geesten wel thuis kunnen laten.” Het zijn maar twee voorbeelden. Schilder wàs een vreemde dominee.

Intussen is hij zo nauwelijks nog bekend. Het wordt tijd dat dit verandert, en ik hoop dat het boek dat vanmiddag wordt gepresenteerd daar iets aan bijdraagt. Schilder is een historische figuur geworden, iemand die lang geleden bekende Nederlander was, maar intussen zelfs bij het kerkelijk publiek vergeten. Dat hij daar zelf rijkelijk aan heeft bijgedragen zal ik hier niet uitwerken. Maar het lijkt mij evident, dat de ervaringen die mensen later hebben opgedaan met professor doctor K. Schilder voor velen de toegang tot de jonge Schilder blokkeren. Dit boek geeft de kans hem bezig te zien als dominee van nog geen dertig en hem opnieuw te ontdekken.
Hem opnieuw te ontdekken, bijvoorbeeld als iemand met wie je nu nog kunt lachen. Een geniaal-virtuoze zeurkous is Schilder altijd geweest en altijd gebleven, maar in dit tijdvak valt vanzelf het geniaal-virtuoze meer op. Het heeft tenminste humor om allerlei inlegkunde die met uitlegkunde spot op de hak te zien nemen aan de hand van een schetsje van Guido Gezelle, vol gewaande o’s. Schilder schetst hoe “men probeerde ’t vers voor te dragen; de o’s werden dan met toenemende kracht uitgestooten, gedragen op aanzwellenden adem­stroom, totdat de laatste o een langgerekte, hoog uitgedragen angstkreet werd, want o, die wind, die sterke wind, o, o! Totdat ten laatste na korte pauze, zachtkens in smeltende teerheid de laatste regel volgde: ‘ik bidden kan…’ Erg diepzinnig dus; wie ’t niet begreep had geen begrip van poëzie en was volstrekt niet dichterlijk!”
De glimlach verbreedt zich vanzelf als je ziet hoe de levendige schets van een in de trein zich misdragende Piet en Jan en Lien en Ko gevolgd moet worden door een naschrift, waarin Schilder uitlegt toch echt de jongejuffrouw Lien Borst niet bedoeld te hebben. Bij alle ernst is er vrijwel de hele band door een goedmoedige ondertoon, zijn er telkens humoristische terzijdes en formuleringen. Dat is ook Schilder.

Inderdaad is Schilder een historische figuur geworden. Het is nodig om zijn teksten te annoteren en toe te lichten. Zijn wereld is de onze niet meer. Toch valt mij, als ik nu nog eens terugkijk op het binnenwerk van dit boekwerk, meer de overeenkomst op. Dit zijn teksten van een oudere collega van me. Sommige kunnen zo weer in een kerkblad, bijvoorbeeld dat grappige artikeltje waarin hij de leerplichtwet van 1900 vergelijkt met die veel oudere wet, die ouders verplicht hun kinderen naar catechisatie te sturen. Andere vragen wat meer aanpassing, maar verrassen toch door hun actualiteit. Ik denk aan zijn stuk over de Evangelisatie-diensten in Vlaardinger Ambacht, waar vooral kerkleden blijken te komen die hun eigen diensten verzuimen – niet zoveel anders dan nu bij veel jeugdkerken en speciale diensten. Of zijn rekensommetje over zijn eigen tijdsbesteding, met de prachtige conclusie: “Heusch, beste menschen, daar zijn er, die dit niet goed vinden van hun predikant, en dàt liever anders zagen, maar die al lang zenuwpatiënt waren geworden, als ze doen moesten, wat een dominee in Vlaardingen doet.”

Als ik het allemaal nu even probeer samen te nemen ontmoet ik in deze teksten een collega die altijd en overal stelling neemt tegen de oppervlakkigheid. En bij alles wat veranderd is, dat is treffend actueel. Tegenwoordig hebben jongeren en ouderen het over radicaal christen zijn. Indertijd ging het Schilder om principieel christen zijn en ook verder zijn de formuleringen anders. Gehoorzaamheid bijvoorbeeld is voor Schilder een veel centraler begrip dan voor ons. Maar de zaak is dezelfde: léven wat je gelooft, merken dat woorden inhoud hebben, ervaren dat onder de oppervlakte leven klopt. Wie zich daar vandaag aan wijdt vindt in Schilder een verwante ziel: dominee tegen de oppervlakkigheid.

Als je op een rijtje zet wat Schilder in de Vlaardinger kerkbode allemaal aan de orde stelde, dan zijn dat vrijwel steeds zaken die dat thema van oppervlakkigheid en diepgang, en echtheid raken. Het gemak waarmee ouders hun kinderen thuis houden van catechisatie, het geringe bezoek van de kerkdiensten door de week (toen nog in gebruik), de kracht van de belofte bij een verloving, het belang van goed onderwijs voor je kinderen, ze niet met ja èn nee tegelijk opvoeden, en dergelijke. Zijn grote series bespreken echte problemen, van de lastering tegen de Heilige Geest, van bijbelgeloof en bijbelkritiek. Van allerlei zaken die van buitenaf op de gemeente af komen probeert Schilder te laten zien hoe oppervlakkig ze eigenlijk zijn: spiritisme, modernisme, socialisme, ultra-gereformeerde merkwaardigheden, de Christelijke Gereformeerde kerken van destijds. En ja, je kunt tegen de buitenkant van “wat Dordt in zoo stroeve taal bepleit heeft” aan blijven kijken, maar volgens Schilder legt juist de leer van de uitverkiezing “zoo klemmend de vraag u voor, of gij ook heel eigen, heel innig, persoonlijke godsvrucht kent”. Dan zijn we bij waar het leven klopt.

In de ruige werkelijkheid van de Eerste Wereldoorlog gaat het Schilder er om dat “gij christenen van professie en confessie, begrijpen zoudt, dat in onzen driemaal ellendigen tijd het er wel degelijk op aankomt; of gij zelf, en of uw kinderen nu iets toonen van dat ware mede-lijden, van dat echt-gezonde mede-voelen met het schreiende leed der wereld!” Hij heeft het gevoel te leven in een ellendige tijd, waarin geen godsdiensttwisten meer gekend worden, maar slechts de oorlog die voor godsdienst geen tijd heeft. Schilder hekelt het volk dat het alleen maar gaat om brood, vlees en antraciet, maar verder “in 1918 des te minder geestelijke erva­ring zocht, naarmate het te meer termen vond, termen en cliché’s”. Als de oorlog voorbij is, vraagt Schilder: “Wie heeft gebeefd voor God? Wie heeft zijn oogenblikken gehad, waarin hij voor rede­naar èn voor auditorium-zijn zich totaal ongeschikt gevoelde, omdat God en de wereld en de satan en zijn eigen ik hem te geweldig waren?” Waar was het echte? Waar zat het leven?

In de benepen werkelijkheid van de spanningen tussen A en B, tussen gereformeerden uit de Afscheiding en uit de Doleantie, wil Schilder weg van de oppervlakkigheid dat in de hemel niet gevraagd zal worden naar deze of die kerk, naar A of B; het leven zit bij de vraag wat Christus wil, bij positie innemen op basis van de Schrift en niet bij allerlei mensenideetjes. Een heel aantal keren gaat hij in op wat ik maar even het bevindelijk christendom noem, en telkens haalt hij dan de oppervlakkigheid daarvan naar voren. Hij durft “beweren en volhouden, dat in zeer veel gevallen de afkeurende kritiek van menschen, die zekeren predikant [onder meer Schilder zelf natuurlijk] niet ‘zwaar genoeg’ vinden en hun beschuldiging, dat hij geen voedsel geeft voor een ‘bekommerde’ ziel berust op afwezigheid van het ware ‘bekommerd zijn vanwege de zonden’, of op eigenwijsheid of geestelijken hoogmoed of vooroordeel.” De uitersten raken elkaar: ultra-modernen en ultra-gereformeerden gaan vaak net zo gemakkelijk met de bijbel om; het gezeur over preken die een ‘veel te gemakkelijke’ weg wijzen wordt gecombineerd met verhalen waarin het echt veel te gemakkelijk gaat: één woordje op het sterfbed betekent meer dan een heel leven.

In de spannende werkelijkheid van de ontwikkelingen binnen de Gereformeerde Kerken van destijds zien we Schilder net zo proberen van de oppervlakte naar de diepte door te stoten. Midden in de oorlog toen begon wat later de beweging der jongeren is genoemd met de nodige heisa rond de predikant van Middelburg, J.B. Netelenbos. Schilder hoort niet bij die beweging. Hij heeft zijn eigen achtergrond in de Kamper opleiding van het begin van de twintigste eeuw. Hij is ook niet erg onder de indruk van de jongeren. Het lijkt hem, “dat er ’n massa van de jongere netelenbossianen zijn, die van zijn eigen­lijke bespiegelingen natuurlijk geen woord begrijpen, maar die alleen onthouden, dat onze formulieren en onze D.K.O. achter hun tijd zijn.” Het zijn slachtoffers van de Atheense ziekte: altijd op zoek naar iets nieuws en iets te betwijfelen. Maar tegelijk signaleert hij wel, “dat het niet langer lukt, de menschen vast te houden met een beroep op artikel zooveel van de D.K.O. en met letter zóó en zus van één onzer formulieren.” Het zal om de inhoud moeten gaan. “Heusch, ’t probleem der jongeren is net zoo min een probleem als dat van uw schreiend kindje in de wieg. Wanneer ge er maar eens notitie van neemt: suja, suja, mijn kindje! Maar ja; als we dàt niet eens de moeite waard vinden, of zelfs verkeerd, wijl nieuwerwetsch en dus uit den booze achten, dàn…”

Stuk voor stuk zijn dit óók actuele zaken. En we gaan in onze eigen situatie niet werkelijk verder komen als er ook vandaag geen dominees en gemeenteleden tegen de oppervlakkigheid opstaan. Daarom hoop ik dat déze band van Schilders Verzamelde Werken, die vandaag verschijnt in de oplage van collectors items voor specialisten binnenkort een herdruk nodig heeft. Niet alleen professor doctor K. Schilder verdient het om als voorganger herdacht te worden, ook deze jonge dominee tegen de oppervlakkigheid. Het zou mij niet verbazen als de jonge dominee Klaas Schilder na honderd jaar actueler blijkt te zijn dan de oudere hoogleraar. We zullen zien.�

Reageer